De avonddienst van Ellen Hval, verpleegkundige bij de ambulante verpleegkundige dienst van de Zorggroep, begint ogenschijnlijk rustig. “Mijn dienst start om 15.15 uur, omdat de dagdienst om 15.30 uur stopt”, vertelt Ellen. “Vanaf dat moment ben ik voor PG- en somatiekteams het aanspreekpunt als er verpleegkundige zorg of een arts nodig is. Ook geef ik advies als de thuiszorg mij nodig heeft. Mijn collega’s en ik (in totaal 12 verpleegkundigen) wisselen elkaar af, we werken ook ’s nachts en in het weekend.”

Achter de pc – in thuishaven Sonnevanck – tekent zich een beeld af van haar dienst. De mailbox bevat berichten van verpleegkundigen die hun werk waar nodig overdragen. Zo leest Ellen wat er speelt bij diverse bewoners, onder andere koorts, lage saturatie (het lichaam krijgt weinig zuurstof) en pijn na een val. Daarna is er even tijd om bij te praten met haar collega. Al snel klinken vette lachsalvo’s afgewisseld met het geluid van de telefoon: “Met Ellen, ambulante dienst. Aha, mevrouw heeft koorts gehad en nu weet je niet zeker of ze haar onrustmedicatie alweer mag. Ik overleg het met de arts.”

Overdracht
“Is deze mevrouw nu onrustig?”, vraagt arts Pauline Duijkers, specialist ouderengeneeskunde bij de Zorggroep even later aan Ellen tijdens hun overleg. Voor de zekerheid vraagt Pauline dat telefonisch na. Ondertussen krijgt Ellen zelf ook een telefoontje. En dit herhaalt zich daarna nog een aantal keer, bij beiden. Waar mogelijk geven ze direct advies of beloven langs te komen. Tussendoor pakken ze de draad op; Pauline deelt ervaringen van collega-artsen en Ellen informatie van de verpleegkundigen. Samen bespreken zij kort een aantal cliënten. Zo is een van de bewoners terminaal en de ander dreigt dat te worden, omdat zij geen hulp meer wil.

Op pad
Weer gaat de telefoon, er is een collega gevallen in Sonnevanck. Op een holletje gaat Ellen ernaar toe en geeft ondertussen tips. Het valt gelukkig mee. Ze kan zich snel richten op de cliënten die zij na de overdracht in haar vizier heeft. Ze gaat in Sonnevanck onder andere langs bij de bewoner die terminaal is. Vooraf haalt ze morfine op bij een beveiligde medicijnkast. Alle opiaten, waar morfine onder valt, moeten geregistreerd zijn; wat eruit gaat, vult de apotheek van ziekenhuis St Jansdal aan.

Onderweg
Eerder die dag belde een collega van de Amaniet: “Er is een probleem met een katheter. Kun je om 19.30 uur komen?” Ja, dat kan en op weg erheen zorgt Ellen dat ze bereikbaar is. Er kan namelijk altijd een spoedgeval tussendoor komen. Gelukkig blijft het bij twee telefoontjes die niet acuut zijn. Aangekomen bij De Amaniet blijkt de katheter van een cliënt verstopt te zitten, er moet een nieuwe in.

Persoonlijk
De rest van de avond bezoekt Ellen zonder onderbrekingen de cliënten op haar lijst. Zo rijdt zij van De Amaniet naar Oosterhoorn, Elim en Weideheem. “Tijdens de overdracht lijkt het misschien onpersoonlijk zoals we de cliënten bespreken, maar dat is het zeker niet. Ik ga zelf kijken hoe het met deze mensen is. Iets wat in eerste instantie niet zo ernstig leek, kan namelijk ineens verergeren.” Terwijl bewoners slapen voelt Ellen aan polsen en voorhoofden, checkt hier en daar medicatie of een naald en overlegt met collega’s. Daar waar zij komt, lijkt ze onderdeel van het team te zijn. “Dat is belangrijk, collega’s moeten niet schromen om te bellen.”

Verantwoordelijkheid
“Het is een solistische functie, dus daar hoort bij dat je zelf besluiten neemt. Maar ik schroom niet om bij twijfel de dienstdoende arts te bellen. Of ik stalen zenuwen heb? Nee, als er iemand valt en er is veel bloed, vind ik het ook spannend.” Tegelijkertijd is dat wat haar in de functie aantrekt, net als de hectiek. Ik kan bij dit werk iets meer emotionele afstand nemen dan collega’s die in een woongroep dagelijks bewoners verzorgen en verplegen.” Om even later te zeggen: “Maar ook nu grijpt het mij regelmatig aan. Het is tenslotte altijd iemands vrouw, man, vader, moeder, opa of oma.”